Een mestkever klopt aan bij het universum.
"Ergens gaat iets mis", beklaagt hij zich, met zo'n toon van ergens-ja-en-niet-bij-mij. Het universum trekt uitnodigend de wenkbrauwen op en de mestkever begint.
"In mijn vorig leven was ik een merel, en heb ik kort maar strikt geleefd op een vegetarisch dieet. In het leven daarvoor was ik een teef, een chocoladebruine labrador om precies te zijn, het mooiste meisje van de wijk. Van pup af aan heb ik de teken en vlooien verwelkomt in mijn vacht, mijn slaapplaats afgestaan aan straatmensen en straatkatten, heb ik alle geile reuen van mij afgebeten, om uiteindelijk vol littekens, maar mijn maagdenvlies in tact, te sterven.
In het leven daarvoor was ik een stier. Het dekken, daar kon ik niet aan ontkomen, maar ik deed het teder, altijd. Voor ik een koe besteeg, likte ik haar flanken. Na afloop legde ik mijn kop over de hare, en joeg ik de vliegen van haar ogen weg. Bij het grazen liet ik de zeldzame bloemen staan, ook als deze het lekkerst waren. Van wat daarvoor kwam ben ik de herinneringen kwijt."
Het universum knikt.
"Ziet u het dan niet?" zegt de mestkever. "Ik ga verkeerd om. In plaats van dat ik dichter bij de verlichting kom, zit ik als dank voor al mijn offers en goedertierenheid nu letterlijk in de stront."
"Wat had u dan gewild?" Vraagt het universum.
"Nou," zegt de kever, "ik had eigenlijk gedacht nu toch al zo'n beetje mens te zijn."
"Mens?" Vraagt het universum.
"Of mensaap, of olifant, dolfijn desnoods, maar iets van status, iets van waarde, iets richting het topje van de voedselketen..." De mestkever zucht en ratelt kort zijn vleugels.
"Mens... zou kunnen", zegt het universum dan.
"Echt? Na dit leven?"
"Of per direct, indien u wenst. Maar u heeft in deze vorm nog een goede twee jaar te leven."
"Nou", lacht de mestkever, "ik kan niet zeggen dat ik zo aan dit lichaam ben gehecht."
Na die woorden zakt het zwarte harnas van de kever door de poten, om niet meer te bewegen.
"Jammer", zucht het universum, tegen niemand in het bijzonder. "Hij was zo dichtbij."