Installatie: monoloog in de biechtstoel.
PASTOOR
God die als een licht in ons hart is opgegaan,
geve dat ik oprecht mijn zonden erken
en Zijn barmhartigheid ondervindt...
'Dat ik oprecht mijn zonden erken.'
Hm. Wat heb ik op te biechten?
Dat glas of twee teveel op een zondagavond?
Dat ik niet kan zingen? Goed dan: ik kan niet zingen. Ge krijst gelijk een kraai, zei mijn moeder altijd, God hebbe haar ziel. Ik beweeg mijn mond wel mee tijdens de mis, maar echt klanken voortbrengen: ik kijk wel uit. Ik zou geen mens in de kerk overhouden.
Is dat het? Is dat wat u van uw pastoor wil horen?
Ik ben niet zonder zonde.
Ik ben een mens, net als u. Net als zij.
Maar mijn dagelijkse misstappen, dat is niet wat ze van me willen horen. Dat is niet wat ze willen zien.
Er zit een kind in de keuken. Het drinkt warme kruidenwijn. Kleine slokjes, twee handen om de beker. Haar nagels zijn zwart van het vuil. Bruin haar heeft ze, ogen als een hert, met een ondeugende twinkeling. Het is al na middernacht, maar ze lijkt klaarwakker.
“Het klopte aan, m'neer. Het is de pappa en mamma verloren. Kan het blijven, m'neer? Tot de ouders zijn teruggevonden?” Maarle, al bijna dertig jaren mijn trouwe dienstmeid, wrijft in haar handen. Ze klaagt de laatste maanden veel over haar rug. Over het traplopen. Maar... Een kind... Ik weet toch niets van kinderen.
“Waarom draagt u een jurk, heer?” Vraagt het meisje dan. 'Bij Petrus, dat schaap heeft nog nooit een man van de kerk gezien!' denk ik. Ik zeg Maarle dat ze een strozak voor het kind kan maken in de keuken.
Had ik haar toen weg moeten sturen? Terug de nacht in?
Nooit eerder zat er zoveel leven in mijn huis. Niet eerder wordt er hardop gezongen, wordt er zoveel gelachen.
De ramen staan wijd open. Ze zingt liedjes, sommige in een vreemde taal. Ze verzint er dansjes bij, gevaarlijk balancerend in de vensterbank. Kinderen verzamelen zich op het pleintje voor de pastorie. Hun ouders komen om ze weer aan het werk te sturen, maar blijven dan zelf staan luisteren. Hun stemmen komen tot in de studeerkamer. Ik kan me niet concentreren op mijn boeken. Mijn papierwerk vliegt mee met de wind die nu opeens door de gangen waait. Maarle moppert. Het lukt haar bij vlagen het meisje aan het werk te krijgen, maar het duurt nooit lang. Maar ze behandelt het kind alsof het haar eigen is. Telkens wanneer ik in de spiegel kijk, zie ik een man met een glimlach om zijn lippen.
Had ik haar toen weg moeten sturen?
Ze wiebelt in de kerkbank. Ze zingt hard mee, maar de verkeerde woorden en een zelfbedachte melodie. In het begin sprong ze op bij de eerste orgelklanken en begon op het middenpad een rondedans. Dat heb ik haar af kunnen leren. Maar het fluisteren tegen de heiligenbeelden blijft ze doen, tijdens de preken, de gebeden...
Ik weet niets anders te doen, dan vijnzen of ik de bozen blikken niet zie. Net als het smoezen, het hoofdschudden. De arme Maarle kijkt tijdens de mis alleen naar haar tenen en vlucht direct erna met het kind de kerk uit.
Toen misschien? Was toen het moment haar weg te sturen?
Er wordt geklopt. Het is al donker buiten. “Nog een verdwaald kind”, grap ik. Maarle kan er niet om lachen. Het is de schout.
“Het spijt me dat ik u zo laat nog stoor, meneer Pastoor. Dat leek me... minder aandacht trekken. Kan ik binnenkomen?”
“Natuurlijk. U kijkt ernstig. Is er iets gebeurd?”
“Neen. Of, misschien wel...” De schout neemt zijn hoed af. “De mensen. Ze zijn onrustig meneer Pastoor”, zegt hij. “Er gaan verhalen rond. Over het kind. Ze zwerft 's nachts door de straten en in de velden, zeggen ze. Kinderen zouden haar hebben horen lopen op de daken. De ouwe Gert zag haar tegen de kerktoren kruipen.”
“Tégen de kerktoren?” Ik lach. “U weet net zo goed als ik wat er met ouwe Gert gebeurt wanneer hij een slok teveel opheeft”, zeg ik. De schout knikt voorzichtig, maar lacht niet mee.
“Geluiden op het dak, dat kunnen raven zijn, of houtduiven. En in het weiland, wat zou ze in het weiland te zoeken hebben?”
“Ik vraag alleen dat u op haar let, meneer Pastoor”, zegt de schout. “Houd haar binnen, houd haar rustig, een aantal weken, tot de verhalen zijn gaan liggen. Waar is ze nu?”
“Boven, op bed, natuurlijk”, antwoord ik. De schout kijkt naar Maarle. Die knikt.
De schout lijkt nog iets te willen zeggen, maar wenst me dan een goedenacht en vertrekt.
“Maarle”, begin ik voorzichtig, “is ze boven? Ligt ze op bed?” Maarle schudt haar hoofd.
“Waar is ze dan?”
“Geen idee m'neer.”
Ik blijf wakker tot ik het meisje via het raam hoor binnenkomen. De eerste hanen hebben al gekraaid.
Daarna was het niet alleen de schout die aanklopte. Het leek een gewoonte te worden om mij op de hoogte te brengen van al het mysterieuze dat zogenaamd gezien, gehoord of geroken was. Mensen kwamen aan de deur, spraken me aan op straat, zelfs in de biechtstoel, de biechtstoel! Nu vraag ik u! 'God geve dat ik oprecht mijn zonden erken, maar ik zou eerst nog graag even een verklaring willen van meneer Pastoor over hetvolgende voorval...' Of ik had gehoord van de kippen van Frans langs het vaartje? Of ik even uit wilde leggen wat dit en dat te betekenen had? Of ik even wilde zeggen dat het zeker niets met het meisje van doen had? Ik wist niet hoe te reageren. Hoe kon ik? Was ik er soms bij geweest? Was ik opeens alwetend? Had ik soms het boek met alle antwoorden?
O ja, -Wacht. Dat had ik wel. Maar staat daar niet in dat Jezus de kinderen bij zich roept? Staat daar niet in dat wij ons over de vreemdeling moeten ontfermen?
Ik had haar weg moeten sturen. Direct. Zodra het kind een vrouw werd. Zodra ik zag hoe de jongens naar haar gluurden, op straat, tijdens de mis. Toen ze steeds weer vergat haar kap op te doen, haar haren in te vlechten. Dus zat ze daar, die lange krullen over haar schouders, over haar beginnende borsten, voor die vlammende ogen.
Het leek soms valse opzet. Alsof ze me uit wilde dagen. Het dorp wilde tarten. Maar wanneer ik haar er op aansprak, keek ze me aan alsof dit onbekend protocol was. Haar excuses leken oprecht. Ja ze probeerde het echt, echt wel. Maar na een paar dagen rende ze toch weer met los haar en blote armen de straat op.
Ik heb Maarle haar haren kort laten knippen. Ze mocht de deur niet meer uit voor Maarle of ik gezien had wat ze aan had. Geen nachtelijke uitstapjes meer. Er gingen nieuwe sloten op de deuren en de ramen, en ik droeg de sleutel. Als een wolf in een kooi draalde ze 's avonds voor de ramen. Uiteindelijk vond ze een nieuwe manier om naar buiten te komen. Hoe, is mij nog steeds een raadsel.
Voor het eerst vroeg ik me af waar zij vandaan kwam. Wie haar ouders waren. Wat er met die ouders gebeurd was. Niemand heeft zich ooit voor het kind gemeld. Zij heeft er nooit over verteld. Wat wist ik nu eigenlijk van dat wezentje dat midden in de nacht voor mijn deur was verschenen? Hadden al die wonderlijke verhalen die over haar rond gingen, toch een kern van waarheid? Was zij misschien niet een godsgeschenk, maar een test? Of een pion van het kwaad?
Een aantal keer stond ik op het punt haar weg te sturen. Het was nu klaar, ze was groot genoeg om voor zichzelf te zorgen, misschien dat er een dorp verderop werk te vinden was... Maar telkens als zij mij aankeek, smolten mijn goede voornemens. Is dat dan waar ik de fout in ben gegaan? Misschien.
Ik betrapte hen in de achtertuin. Het was al laat, ik was bij toeval nog even naar de studeerkamer. Controleren of ik de kaarsen wel had gedoofd, zoiets. Het raam stond open. Achter in de tuin hoorde ik haar stem. Ik liep naar beneden en opende zachtjes de deur naar de tuin. Ze waren zo druk met elkaar, dat ze mij niet aan hoorden komen. Wat schrok ik toen ik zag wie er naast haar zat. 'Bij Petrus, niet hij', dacht ik. 'Van alle pummels en jonge honden, toch niet hij...' De zoon van de dokter. De zoon van de machtigste man in Lissewege...
Ze smeekten me niets te zeggen, mijn mond te houden. Let wel: allebei. Hij misschien harder dan zij. Als ik mijn mond hield, zou het dan afgelopen zijn met deze waanzin? Vroeg ik hen. Ze keken elkaar aan. Ze knikten van ja, maar alles in hun ogen schreeuwde: neen. Neen. Dat ik heb gekozen voor het celibaat, wil niet zeggen dat ik geen liefde ken. Dat ik liefde niet herken, wanneer deze voor mijn ogen opbloeit. Zijn doorns in het onschuldige vlees slaat. Met zijn gif het bloed doet koken en het verstand verblind.
Had ik haar weg moeten sturen, terug de nacht in?
Had ik mijn mond moeten durven openen tegen de waanzinnige verhalen?
Had ik hun geheim op moeten biechten bij de dokter?
Had dat deze pijn kunnen voorkomen?
Ze verwijten mij dat ik een heks heb binnengehaald en grootgebracht.
Maar ik vraag u... Wie heeft hier van dit kind een heks gemaakt?